Kanker is de ultieme medelevenmagneet. Ik wil niet opscheppen, maar het afgelopen jaar was mijn brievenbus soms verstopt door de kaartjes en cadeautjes. Ik kreeg zoveel bonbons dat ik sommige moest weggooien. Op mijn veertigste verjaardag, vlak na mijn operatie en vierde chemo, zag mijn woonkamer eruit als een bloemenwinkel.

„Wat moet dit een zwaar jaar voor jou zijn”, zeiden mensen. En: „Wat bijzonder, hoeveel je blijft doen en organiseren.”

Ik voelde me bijna een imposter. Wat jij niet weet, dacht ik dan, is dat ik helemaal niet ongelukkig ben. Ik voel me waarschijnlijk gelukkiger dan jij. Mag ik de bonbons toch houden?

Het verraste mijzelf ook. Een dodelijke ziekte is zo ongeveer de grootste ramp die je kan overkomen en maakt je dús ongelukkig, ben je – was ik – geneigd te denken. Maar zo ging het niet. Deels kwam dit door bewust aangebrachte oogkleppen. Het hielp ook dat ik al vrij snel goed nieuws kreeg: de chemo sloeg uitstekend aan.

Maar er was ook iets anders aan de hand. Ongeluk verhoudt zich niet altijd op een logische manier tot de werkelijkheid. Hoewel ‘er is een grote kans dat de kanker terugkomt’ een rampzalige boodschap is en van grote invloed op de rest van mijn leven, is het in het nu een abstractie. Veel concreter en urgenter was het bijvoorbeeld toen mijn haar na de chemo niet meer donkerblond was, maar grijsachtig. Dat laatste maakte me werkelijk ongelukkig, het eerste verdween soms naar de achtergrond.