„Ik wil toch nog even vragen…”, zeg ik, en mijn stem verandert in de kinderlijke piepstem waarmee ik dit soort vragen stel. Ik hoor dat de gynaecoloog een beetje moet lachen, ze weet al wat er komen gaat. „… je denkt dus níét dat ik binnen een paar jaar doodga?”
Ik heb haar aan de telefoon terwijl ik met mijn rug naar het terras sta. Achter mij zit mijn vader; ik ben weggelopen richting de zee. „Dat lijkt me niet waarschijnlijk,” zegt ze, „maar ik weet het niet. Ik kan niet in de toekomst kijken. Ik denk dat je je even moet concentreren op het nu. Je zit met je vader aan het strand. Geniet ervan.”
Van alle moeilijke dingen vind ik één ding het allermoeilijkst: in het nu leven. Mijn gedachten zijn meestal in het verleden of de toekomst, en zelden in het nu. Voor iemand met kanker is dat extra onhandig. Het is immers nu, in dit moment, dat ik leef. Dat weet ik zeker, terwijl de toekomst ongewis is. De kanker kan terugkomen, en als dat gebeurt, kunnen behandelingen weer aanslaan, of niet.
Mensen met wie ik dit bespreek, benoemen graag dat iederéén moet leven met onzekerheid. „Misschien loop ik morgen onder een bus”, zeggen ze dan. Dat vind ik een flauwe reactie, want ten eerste is die kans heel klein, en ten tweede heb je er enige invloed op. Je kunt bijvoorbeeld om je heen kijken voor je een straat oversteekt. Statistisch gezien is de kans dat je als veertigjarige hoogbejaard zult worden groot, wat maakt dat je vol vertrouwen dingen zegt als „na mijn pensioen wil ik …” of „als mijn hypotheek is afbetaald, ga ik …”. Dit soort uitspraken kan ik niet meer onbevangen doen.






