„Zit je in je lichaam?” De chirurg zit geknield voor me en kijkt omhoog. Het is eind 2024; twee maanden na mijn driedubbele beenbreuk heb ik nog altijd last van mijn knie. Hij vraagt waar die pijn zich precies bevindt, en ik haal vertwijfeld mijn schouders op. „Ik weet dat soort dingen nooit.” Vandaar de vervolgvraag: zit je in je lichaam? „Absoluut niet”, zeg ik. Dát weet ik dan weer heel zeker.

Als we de mensheid in teams verdelen, Team Lichaam en Team Geest, zit ik in Team Geest. Gym was vroeger het enige vak waarvoor ik matige cijfers haalde: ik viel uit de ringen, rende tijdens bunkertrefbal als aangeschoten wild door de gymzaal. Later begon ik mijn lichaam actief te beschadigen, door te roken, te drinken en te dineren met Turkse pizza’s. Mijn geest had het ondertussen prima naar zijn zin. Die hield zich bezig met lange conversaties en schrijven voor het studentenblad. Zelfs flirten deed ik met mijn geest. Als ik iemand leuk vond, stuurde ik een e-mail. Veel minder eng dan een fysieke move maken.

Het primaat van de geest werd gaandeweg wel op de proef gesteld. In de afgelopen tien jaar had ik respectievelijk RSI, een burn-out en dus dat gebroken been. Mijn lichaam klopte op de deur. Maar met wat wandelen hier en een pilletje daar wist ik de fysieke klachten in het gareel te houden.