Eén zin hoor je verreweg het meest als kankerpatiënt: „Dit is natuurlijk niks vergeleken bij wat jij doormaakt.” Altijd vol gêne uitgesproken, alsof de spreker zich kapot schaamt dat hij net heeft gepraat over zijn hernia, werkstress of moeizame verbouwing.
Ik snap de opmerking en ik vind het aardig van de ander, maar het is niet nodig. Ik heb kanker, of ik had kanker, ik weet niet eens hoe ik het moet noemen nu de behandeling voorbij is, maar ik zit ook met andere dingen, van steigers rond mijn huis tot zorgen over democratisch verval. Kortom: ik ben niet vergeten hoe het is om mens te zijn.
‘Alles is relatief’ is een dooddoener, maar voor mij is hij echt gaan leven. Alles ís relatief, soms op een verbijsterende manier. Problemen groeien of krimpen, afhankelijk van het referentiekader. Ik weet niet hoeveel literatuur er bestaat over het fenomeen referentiekader, maar ik peins er al dagen over en onderscheid inmiddels drie soorten.
De eerste gaat over aangepaste verwachtingen. Door nieuwe omstandigheden kun je ineens andere standaarden hebben voor wat lekker, fijn of nastrevenswaardig is.
Toen mijn haar weer terugkwam na de chemo vond ik het mooi vergeleken met een kaal hoofd; nu het verder gegroeid is, vind ik die beginnende pluisjes lelijk.






