Daar zit ik weer, bij de apotheek. Ik kom er zo vaak dat de vaste handelingen (deur openen, scherm aantikken, nummertje pakken) in mijn spiergeheugen zitten. Veertig jaar oud en nu al moet ik met zeven soorten pillen aan de gang gehouden worden, als een plant die zonder stokken in elkaar zakt. Waarom schieten ze me niet gewoon dood, denk ik. Maar dan bedenk ik dat ik relatief veel inkomstenbelasting betaal en de samenleving dus per saldo meer oplever dan kost. Misschien. Zou ik het kunnen berekenen?

Stemmetje in mijn hoofd: Is dit een helpende gedachte?

Het stemmetje vraagt het voor de grap, want ik heb een hekel aan die vraag, die vanuit de cognitieve gedragstherapie de maatschappij is ingeslopen. Het idee erachter is dat je je emoties kunt sturen door negatieve of ‘niet-helpende’ gedachten actief te vervangen door gedachten waaraan je wél iets hebt.

Ik schat dat 95 procent van mijn gedachten niet-helpend is. Vele zijn nutteloos en sommige ronduit gestoord. ‘Wat als ik op de kop van die slapende hond gaan staan’, of: ‘Als ik nu een ruk aan het stuur geef vliegen we de vangrails in en zijn we allemaal dood’. Ook tijdens het kankerjaar heb ik veel niet-helpende gedachten. Een van de eerste na de diagnose: ‘Wat zonde dat ik net een nieuwe vaatwasser heb gekocht.’ In de maanden erna, bij mensen die me irriteren: ‘Waarom heb ik kanker en jij niet?’