„Wil je het weten?” Mijn beste vriendin en ik zitten in de kamer bij de oncoloog, die de genadeloze waarheid vertelt over eierstokkanker. De vraag is nu of ik de cijfers wil weten. Alarm in mijn hoofd. Zeg nee! Ik zeg ja.

Hij noemt het percentage vrouwen dat na vijf jaar nog leeft. Het voelt alsof ik een kamer zonder ramen en deuren binnenloop. Als we even later het ziekenhuis verlaten, zijn we eerst heel lang stil. We fietsen naar een café om te lunchen, ik kies het broodje dat me de minste walging inboezemt, maar het lukt me amper het te eten.

Na ongeveer een half uur veert de hoop op, als bij zo’n opblaasbare figuur die knakt en terugveert als er lucht in wordt geblazen. „Het zijn oude cijfers”, zeggen we tegen elkaar. „Het zijn cijfers van over de hele wereld, in Nederland is de zorg beter.„ „Deze situatie is anders, want het zit niet in de organen.”

Normaal gesproken ben ik iemand met een rationele verhouding tot statistiek. Ik was op school goed in wiskunde en ik lees vaak sociaalwetenschappelijke papers waarin statistiek een belangrijke rol speelt. Tijdens de pandemie was ik geobsedeerd door grafieken en kansberekening. Kortom, ik snap wat dit percentage betekent. Als mensen tegen me zeggen „jij bent meer dan een cijfer”, dan denk ik: dat is aardig van je, en ik vind mezelf ook meer dan een cijfer, maar in deze context is dit cijfer toch echt belangrijk voor mij.