Ik had me iets groots en feestelijks voorgesteld bij het einde van mijn behandeling. Maar het half jaar eindigt met bestralingen, en dat is, na het spektakel van de chemo en de operatie, nogal underwhelming. Grote witte apparaten draaien om me heen terwijl ik met mijn armen omhoog luister naar ‘Zij Maakt Het Verschil’ van De Poema’s, een nummer dat ik al haat sinds het in mijn tienerjaren achttien weken in de Top 40 stond. Vervolgens breekt Radio 10 het heerlijke hitje ‘Driver’s Seat’ van Sniff ‘n’ the Tears af voor Ricky Martins ‘Un Dos Tres’. Al met al voelt het niet als ‘mijn speciale dag’.

Ik had me nog veel meer voorgesteld bij kanker hebben. Sommige dingen kloppen zo goed, dat het lijkt alsof ik in een vorig leven al kanker heb gehad. Het gevoel van vervreemding na de diagnose, de stormloop van gedachten over leven en dood, de verwoestende jaloezie op gezonde mensen.

Maar evenveel dingen kloppen helemaal niet. Ik heb geen nachtmerries over kanker. Ik gil niet van angst. Evenmin schreeuw ik van blijdschap als ik goed nieuws krijg. Ik zou het misschien wel willen, maar ben te secundair. Zodra je denkt ‘vinden mensen me raar als ik nu gillend van blijdschap door het ziekenhuis ga rennen?’, weet je dat het moment voorbij is.