Het is midden op de dag, een weekenddag in september, en ik fiets door de Javastraat in Amsterdam. Auto’s blokkeren de weg, ze proberen achteruit in te parkeren terwijl fietsers eromheen krioelen als wespen om een glas limonade. Een fatbike scheurt langs zonder om te kijken. Een kind schreeuwt.

Ik wacht rustig tot de weg weer vrij is, ik laat mensen voorgaan en maak plaats voor de auto. Ik erger me niet. Dit is opmerkelijk, want normaal gesproken levert zo’n situatie hoge bloeddruk op, hartkloppingen en moordfantasieën. Ik ben milder geworden, denk ik.

Ruim een week eerder kreeg ik de diagnose eierstokkanker, en mijn leven ‘staat op zijn kop’, zoals dat heet. Ik snap nu pas echt waar die uitdrukking vandaan komt. Alles is anders dan eerst. Alles voelt als een nachtmerrie (ook al zo’n cliché) en tegelijk voel ik heel veel liefde: voor het leven, voor de mensen om me heen en zelfs voor vreemden, ook al zijn ze klunzig aan het inparkeren. Ik probeer wanhopig grip te krijgen op de nieuwe situatie, en vooral om lichtpuntjes te vinden: bewijs dat de kanker mij misschien ook iets goeds kan brengen. Stel dat ik nog maar een paar jaar te leven heb, maar me in die jaren door het leven beweeg als een soort liefde verspreidende zenmeester, is het dan per saldo niet alsnog goed nieuws?