De laatste tijd stoor ik me aan hardlopers op het fietspad, ik vraag me af waarom eigenlijk. Ze hebben me niets misdaan, hooguit lopen ze soms een beetje in de weg. Het zijn bijna altijd fraaie mensen om te zien, oogsnoep, zeker in de zomer. Dan lopen de mannen met blote torso’s; iedereen mag weten dat ze niet alleen hard kunnen rennen, maar ook hele zware dingen kunnen tillen. Ik gun hen de resultaten van hun ijver. Toch blijf ik tegen bepaalde hardlopers op mijn fietspad een weerzin voelen die aan walging grenst.
Misschien omdat hun ostentatief topfitte lijven me eigenlijk altijd achterlaten met een k*tgevoel. Hoewel ze zwijgzaam zijn, schreeuwt hun lijf het uit: ‘Ik ben fitter. Het leven is een competitie. Jij haalt niet alles uit de kan. Je stukjes zouden beter zijn als je…’ Hoewel ik ze fietsend inhaal, blijf ik achter in de race.
Je kunt ook niet aan ze ontsnappen. Wie niet naar een hockeyveld gaat, wordt zelden aan hockeyers blootgesteld. Maar hardlopers beschouwen de wereld als hun gym. Ze zweten in your face, hijgen in je nek. We beleven bovendien een hardnekkige hardloopexplosie. Voor de marathon van Londen schreven 1,4 miljoen mensen zich in. Voor Generatie Z is de marathon statussymbool.








