Ik herinner me van mijn middelbareschooltijd de lange fietstochten over de dijk, met mijn vriendin Martha met wie ik zo vaak en hard moest lachen dat we, gierend over onze sturen gebogen, moesten afstappen, omdat zij weer feilloos een vrouw uit het dorp imiteerde, het ‘bakske koffie’, het getob, de kordate, maar totaal absurde logica van een typetje met een leven dat zich rond supermarkt en burengerucht had gevormd. Haar stem: hoog, fel. Mijn stem: lager, maar met net zo’n overtuigend, knauwend accent. Als we thuis waren belden we ‘gerust’ (een woord van daar en toen) nog uren, tot onze ouders de stekker eruit trokken.

Martha en ik, wij bewoonden jarenlang gelukzalig ons eigen universum: zonder schaamte, zonder tegen elkaar op te bieden, zonder jongens die ons uit elkaar dreven.

We zwegen als we langs de technische school reden, waar de jongens voor de eerste bel al drie sigaretten rookten en naar ons schreeuwdenDe enige momenten waarop we zwegen en harder begonnen te trappen, was als achter ons een cordon fietsers van de gereformeerde school opdoemde. De jongens voorop, met koppen die ons vertelden dat ze met liefde dwars door ons heen zouden rijden. De meiden daarachter in lange rokken, net als wij verstrengeld met elkaar, maar, met die twee nerds in het vizier, evengoed dreigend met hun streepmonden. Het tweede zwijgen deden we als we, eenmaal in de stad, langs de technische school reden, waar de jongens voor de eerste bel al drie sigaretten rookten en met schrille stemmen naar ons schreeuwden. Een paar keer spuugden ze voor onze wielen op de grond, één keer kwam een fluim in Martha’s haar terecht.