Door mijn periode op het platteland weet ik: hoe groter de tuin, hoe minder de zorg. En andersom. In de buurt waar ik nu woon zijn de tuinen klein, maar de zorg is intens. Als ik uit het raam kijk zie ik ze aan alle kanten onkruid wieden. We zijn al een paar keer ongevraagd gewaarschuwd voor de Japanse duizendknoop, een alles overwoekerende plant die rozen verstikt en dat zou, het bracht de buur die het zei in haast paniekerige staat, slecht kunnen zijn voor de bijen en die hebben het toch al zo moeilijk.

„De Japanse duizendknoop heeft geen bloem.”

Waar ik van geniet zijn de vele rozenstruiken, vaak tegen de gevels. Ik waan me dan soms in Engeland, maar dat kan ook komen omdat er hier steeds meer Engels gesproken wordt. Laatst had ik mijn eerste gesprek over tuinieren in het Engels, toen kwam alles samen. Er werd aan me gevraagd of het bij warm weer gewoon is om de tuin te bewateren. In Velp, waar ik opgroeide, was dat heel normaal, mijn ouders zetten gewoon hele dagen de sproeier aan. Das war einmal. In Wormer leerde ik dat de hele dag bewateren juist slecht is voor gras.

„Daarvan raakt het gras maar verwend”, werd er gezegd, maar dat kan ook aan de volksaard liggen. Ze vonden de noodopvang in containers ook verwennerij. In Amsterdam had ik eigenlijk nog nooit een sproeier gezien. In Betondorp zag ik ze wel met gieters op de balkons en dus heb ik in mijn beste Engels gezegd dat ik denk dat ze waterverspilling hier erger vinden dan een verdorde plant.