Het tuinseizoen begon wat aarzelend dit jaar. Of het aan het koude maartse weer lag of aan ons, de Haagse Tuinders, weet ik niet precies. Eerdere jaren was het eerste weekeinde nadat we de code van het hek hadden gekregen hét moment geweest waarop we ons met het complete clubje, inmiddels uitgegroeid tot acht mensen, hadden verzameld op het buurttuintjescomplex om de eerste radijszaadjes in de grond te stoppen en dit heuglijke feit te vieren met koffie en taart.

Uiteindelijk gingen pas met Pasen de eerste zaailingen de grond in: tuinbonen. Ik denk niet dat ik overdrijf als ik hier schrijf dat tuinbonen ons belangrijkste gewas vormen. Waar slechts een deel van ons tuinclubje iets opheeft met pastinaken en een nog veel kleiner deel snijbiet weet te waarderen (lees: alleen ik), zijn we daar juist alle acht gek op. Om vogels op afstand te houden, bouwden M en ik een tunnel om de plantjes heen, opgetrokken van boogjes en een net. Het werd onze mooiste tunnel tot nu toe en we voelden ons niet alleen trots, maar ook bijzonder professioneel.

Pas later, in mei, werd ons in de moestuinnieuwsbrief onder het kopje ‘gewasbescherming’ op het hart gedrukt zulke netten alleen te gebruiken als het écht nodig was. Vogels konden er namelijk verstrikt in raken. „Dit is zielig voor de vogels en ook vervelend voor onze medewerkers die ze moeten helpen”, stond er droogjes bij. Als we dan toch een net wilden gebruiken, konden we er het beste voor zorgen dat dit goed aansloot op de grond, zodat de vogels er niet onderdoor konden kruipen. M en ik hadden de uiteinden van het net ingegraven en keken elkaar tevreden aan: professionals indeed.