Als Damaris komt aanlopen vermoed je niet dat ze al langer dan achttien jaar behandeld wordt op het ggz-terrein van Parnassia in Den Haag. Een vrouw met sluik lang haar steekt verlegen lachend een hand uit. Om haar pols draagt ze armbandjes. Op een knaloranje elastiek staat ‘ik STOP pesten nu’. Aan het nylondraad van drie andere zijn letterkraaltjes geregen. ‘Stay‘, staat op een; ‘strong‘, op de tweede; en ‘Jacco’ op de laatste. Dat, zegt ze en ze straalt erbij, is de naam van haar pup.
Op haar armen zitten littekens. Die herinneren aan de periodes dat ze diep zat, heel diep. Ze was zwaar depressief, verslaafd aan cannabis, had dissociaties, herbelevingen, sneed zich. Een gevaar voor zichzelf. „Ik heb ptss en wilde mezelf wegmaken. Het was geen moment veilig bij mijn ouders thuis.” Jeugdzorg en het meldpunt kindermishandeling raakten betrokken, is wat ze daarover kwijt wil. En ook op school was het „overleven”. „Ik kan niets anders herinneren dan dat ik werd gepest.”
In het tweede mbo-jaar sociaal maatschappelijk werk liep ze vast. „Je wordt daar geconfronteerd met jezelf.” De huisarts stuurde haar door naar de ggz. Ze kon terecht bij de dagbehandeling. Maar elke avond terug naar het onveilige thuis, dat ging na twee jaar niet meer. Ze werd opgenomen op een psychiatrische plek en heeft Parnassia nooit meer verlaten.








