Er was tijdens de coronacrisis „voortdurend sprake van inbreuken op grondrechten door alle opgelegde beperkingen. Maar daar stond tegenover dat de volksgezondheid werd bedreigd en er ook het recht op leven bestaat. Dat is een mensenrecht. Ouderen moesten dus worden beschermd.” Het leidde tot „botsende grondrechten”.

Dat concludeerde Hanneke Schipper tijdens haar verhoor vrijdagochtend bij de Coronacommissie. Zij was tijdens de coronapandemie directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Volgens haar was er „nog nooit zoveel aandacht geweest voor grondrechten als tijdens de coronaperiode”.

In de praktijk ging het recht op leven, de gezondheid, bijna altijd boven andere grondrechten. Schipper: „Niemand wist wat corona was, we noemden het intern ‘de pest’. Dan neem je het zekere voor het onzekere.” Als het Outbreak Management Team (OMT) kon onderbouwen dat een maatregel de besmettingscijfers kon dempen, was de noodzaak voor het nemen van die maatregel eigenlijk al duidelijk, zei Schipper, al moest het kabinet daarna nog afwegen of dat de negatieve gevolgen van de maatregel rechtvaardigde.

‘Het was geen wiskunde’

Haar afdeling gaf „onder enorme tijdsdruk” advies over de OMT-adviezen: „Het ging bijna 24/7 door.” Soms kwam ze met voorstellen voor uitzonderingen, bijvoorbeeld bij kinderen van mensen met een vitaal beroep, die tijdens de scholensluiting wel naar school mochten. „Het was geen wiskunde.”