In de loop van de coronapandemie kwam de nadruk van het beleid steeds meer te liggen op verregaande repressie en handhaving. Het kabinet werd steeds „dwingender”. De Tweede Kamer dempte dat niet, maar gaf er juist „een extra zwieper aan”, zei de burgemeester van Amsterdam, Femke Halsema, tijdens haar verhoor maandagochtend. „Het plaatste de overheid tegenover de bevolking. De overheid wantrouwde de eigen bevolking.”
In het begin van de coronapandemie werd tijdens persconferenties benadrukt dat „we het samen moesten doen”, zei Halsema. „Er was veel solidariteit. Er was een diepe interne motivatie bij de bevolking om er iets van te maken. Totdat mensen moedeloos en hopeloos werden.” Daarna werd het beleid „meer en meer van bovenaf opgelegd, waarbij mensen werd verteld hoe ze zich moesten gedragen. Met sancties erbij. Ik vond dat heel erg.”
De maatregelen werden ook „steeds idioter”, zei Halsema. Ze noemde als voorbeeld dat je een club binnenmocht met een coronapas, maar dat die club wel 12 uur ’s nachts dicht moest. Halsema: „Het was mij volkomen onduidelijk waarom het na 12 uur ineens onveilig zou zijn. Ander voorbeeld: kappers mochten op een gegeven moment wel open zijn, theaters niet. Toen kwam er een kapper op het podium van een theater staan om mensen daar een knipbeurt te geven.”








