Soms als ik de stad zat ben, speur ik op de satellietkaart naar plaatsen waar niets is. Ik zoek perceeltjes zonder winkel, café of park; er mag geen parkeerplaats zijn of fitnessparcours of azc en zelfs geen liefelijk natuurgebiedje met wandelroute – gewoon niets. Nou ja, behalve wat braamstruiken, een rietkraagje, wat wegroestend ijzer. Graag zelfs. Het moet zo’n plek zijn waar je zorgeloos een lijk zou kunnen dumpen of onbekommerd orgies organiseren, mocht je dat willen. Maar dat wil je niet. Je wil er niets. Misschien een beetje verwilderen. Staren naar zonlicht op schors. Een wolk volgen.
Bij ‘wildernis’ denk je aan wilde dingen. Maar de natuur is lui. Ieder voorjaar duiken de klaprozen en de pinksterbloemen op in precies dezelfde jurkjes als het jaar ervoor. Wie wild leeft hoeft zichzelf niet opnieuw uit te vinden. ‘Val in herhaling’, schreeuwt al dat prachtige om je heen.
Steden zijn plaatsen die iets van je willen, die je gebrek aanpraten, waar je gaat denken dat je beter, fitter, sneller moet zijn. Daarom zoek ik de plaatsen waar je kunt spijbelen, waar je van het padje af kunt raken.
Soms zijn tien stappen opzij genoeg. Soms moet je een hek of een slootje over of een streng bordje even niet zien. Maar als je er eenmaal bent, met kleefkruid in je haar en een schram op je knie en een kloppend hart, ben je in het paradijs. Geen reclamescherm jat je ogen, geen logo rukt aan je pinpas, geen hardloper hijgt in je nek. Je vindt er stilte, sterren, soms een kogelhulsje. Het is er magisch, leeg, eng. Je kunt er dansen zonder dat iemand kijkt. En als je niet in je eentje durft, vraag je iemand mee.















