Ik ben zo iemand die huilt op het werk. Niet dagelijks, natuurlijk. Maar wel, pak ‘m beet, jaarlijks.

De afgelopen jaren gebeurde het toen mijn oma overleed, toen ik me zorgen maakte over de democratische rechtsstaat (één keer), toen ik me zorgen maakte over mijn proefschrift (drie keer) en toen ik tijdens een cursus presentatievaardigheden tot waanzin werd gedreven door een theaterdocente van wie ik ten overstaan van een groepje collega’s telkens opnieuw dezelfde paar zinnen moest voordragen, terwijl zij me maar bleef onderbreken met commentaren als: ”Ik vóél het niet!” en ”Het komt pas bij ons binnen als je er iets van jezélf inlegt!”

Nou, dat heeft men geweten.

Toen ik over dat laatste huilincident naderhand met zorgvuldig gedoseerde zelfspot verslag uitbracht aan een bevriende filosofe met een paar decennia meer professionele ervaring achter de rug, reageerde zij met enige ironie: ”Ah, je was ‘dat vrouwtje’.”

Met die woorden vatte ze inderdaad precies samen hoe ik me had gevoeld toen het gebeurde, en hoe ik me eigenlijk altijd voel als ik moet huilen op het werk. Van mijn eigen natte ogen schiet mijn aandacht gelijk naar de blik van collega’s: wat zien zij als ze naar me kijken? Een verstoring van de sociale normaliteit, waartegenover zij zich op een of andere manier weer een houding moeten weten te geven. Een arm stumpertje, in plaats van de flegmatieke vakvrouw die ik zou willen zijn.