Ik denk dat ik aan geheugenverlies lijd. Niet van feiten, maar van emoties. Dat realiseer ik me wanneer ik luister naar de openbare verhoren bij de parlementaire enquête naar de aanpak van de coronapandemie. Nu de hoofdpersonen aan het woord zijn, kijk ik er toch weer met enig ongeloof naar. Wat hebben we in vredesnaam allemaal met elkaar doorstaan?

De jongeren, die maanden achtereen thuis zaten, hunkerend naar sociale zuurstof. Tegelijkertijd de ouderen die letterlijk hapten naar zuurstof, en die bij bosjes bezweken aan het virus. De samenleving die uit elkaar werd gespeeld door onmogelijke dilemma’s waarin de één zijn vrijheid de ander zijn dood betekende. Alleen al de duizenden hartpatiënten die overleden omdat ze niet op tijd gedotterd werden. Of al die mensen die door het virus op de grond werden gesmeten en niet meer helemaal opkrabbelden.

Het overheersende gevoel bij mij en vele anderen is dat de samenleving, de offline samenleving bedoel ik, nooit meer helemaal de oude werd. Minder mensen in kerk, sjoel of moskee, in de kantine of op kantoor, in de trein of in de bus op weg ernaar toe. Minder mensen die ergens lid van zijn, of überhaupt aanwezig, letterlijk en figuurlijk. Of die mbo-school (waarover ik hoorde) die niet meer standaard vraagt naar hobby’s bij de kennismaking met een nieuwe lichting, omdat veel jongeren het antwoord op die vraag niet weten.