"Er overleden zó veel mensen achter elkaar dat we nauwelijks toekwamen aan de verwerking. Terwijl je wel een band met mensen en hun families had opgebouwd", blikt Joes Meens (67) terug op de pandemie. Hij werkte als specialist ouderengeneeskunde in een paar verpleeghuizen in Nieuwegein.

"Coronapatiënten waren dood- en doodziek. Ik rende de hele dag van hot naar her, het was dweilen met de kraan open. Je had geen tijd om met een kop koffie stil te staan bij je verdriet."

De eerste maanden van de pandemie mochten verpleeghuisbewoners geen enkel bezoek ontvangen. Meens: "Behalve als iemands einde nabij was. Dan liet je een familielid eerst zo'n maanpakoutfit aantrekken: een lang schort, mondkapje, oogmasker en een soort hoedje."

"Zo kon diegene als een soort alien afscheid nemen van zijn of haar vader of moeder. Aan patiënten met fysieke aandoeningen kon je dat soms nog wel uitleggen, maar mensen met dementie begrepen het niet en schrokken daar heel erg van."

Het bezoekverbod hakte er enorm in bij de bewoners. "Ik zag mensen overlijden door eenzaamheid. Ze belandden in een soort depressie, aten en dronken niet, misten hun partner en kinderen heel erg en dachten: zo hoeft het van mij niet meer."