Terwijl de zon zichzelf de afgelopen weken met het enthousiasme van een Bart Chabot door de hemel slingerde, bezocht ik de ene na de andere uitvaart. De vergrijzing is in mijn omgeving aan het uitmonden in een verlies-tsunami, waardoor er bij mij een dubbele vorm van verdriet is ontstaan: enerzijds zijn er de tranen om de doden, anderzijds is er het medelijden met hun nabestaanden. Een van mijn beste vriendinnen verloor begin juni haar vader en sindsdien ervaart ze het leven als een grauwe nevel, waarin geen enkel licht nog doordringt.

En ze is de enige niet. Veel vrienden en familieleden lijken zich geen raad te weten met rouw, wat natuurlijk niet zo gek is in een cultuur als de onze, waarin de dood uit het dagelijks leven lijkt te zijn weggesaneerd. Waardoor je als omstander ook niet hebt geleerd hoe je iemand bij verlies moet troosten.

Lange tijd maskeerde ik mijn onmacht als praktische steun: kinderen een middagje opvangen, bak soep langsbrengen, appen en een luisterend oor bieden, maar sterfgevallen vormen voor de direct getroffenen helaas toch doorgaans de start van een lange eenzame expeditie. Iets waar je, net zoals bij liefdesverdriet, niet omheen maar doorheen moet, hoeveel fijne mensen je verder ook om je heen hebt.