Na het nieuws over de dood van Dolly Parton snelde ik meteen naar wat ik nog steeds nostalgisch ‘mijn platenkast’ noem. Wat had ik eigenlijk van haar? Het antwoord was ontluisterend: niets, helemaal niets. Dat contrasteerde nogal met de universele rouw die onmiddellijk losbarstte alsof Onze Lieve Heer voor de tweede keer was overleden.

Hoe kwam dat? Had ik misschien wat van haar weggegooid? Ik besefte met scherpe pijn in het hart dat het nóg erger was: ik had nooit wat van haar gekocht, hoewel ik toch altijd een groot zwak heb gehad voor countrymuziek. Tegen bijvoorbeeld Emmylou Harris, Linda Ronstadt en ‘onze eigen’ Ilse de Lange had ik nooit enig bezwaar, waarom dan zoveel moeite met Dolly Parton?

Ik raadpleegde Spotify en wist het meteen weer na enkele Dolly-klanken: die stem, of beter: dat stemmetje. Lelijk, hoog. Een kinderstemmetje. Het is alsof je door de dunne muren van je flat weer je buurmeisje van vroeger hoort zingen. Met haar stem maakte Dolly de countrymuziek nog sentimenteler dan die van nature al was. Tranen horen erbij, maar ze moeten niet uit de luisteraar gemólken worden.

Country kon bij Dolly een onbedoelde parodie op het genre worden. Voor mij werd ze in haar slechtere liedjes– ik hoop dat ik voor de fans nu niet al te oneerbiedig word – een soort Zangeres Zonder Naam van het Amerikaanse levenslied.