Vorige week overleed de moeder van een goede vriendin. Ik kende haar goed. Ze was vroeger, in mijn tienerjaren, onze buurvrouw. Ze raakte bevriend met mijn moeder en kwam veel bij ons thuis. Ze bracht altijd het lekkerste eten mee. Ze was warm en betrokken. Als mijn moeder klaagde over mijn pubergedrag, koos ze mijn kant. Ze zag er altijd stijlvol en verzorgd uit. Ook als ze zorgen had, was ze vrolijk. We hadden haar lief. Haar dochter en ik hadden dezelfde leeftijd en werden vriendinnen. Met die gedeelde geschiedenis uit onze jeugd voelt zij inmiddels als familie.

De moeder van mijn vriendin overleed veel te vroeg. Ongedragen kledingstukken hangen met het prijskaartje er nog aan in de kast. Om op bijzondere momenten te dragen – zonde als er voor die tijd een vlek in zou komen. Op een kort boodschappenlijstje dat mijn vriendin in een jaszak vond, staat naast ‘boter’ ook ‘cava’ (Spaanse mousserende wijn). Haar moeder keek uit naar het leven na een operatie die pijn in haar lichaam zou verhelpen. Mijn vriendin kocht een luxe shampoo om haar te geven als ze uit het ziekenhuis zou komen. Die kans kreeg ze niet.

Het is de eerste keer dat ik het overlijden van een moeder van zo dichtbij meemaak. Ik ben op de leeftijd gekomen – dertig – dat dit soort dingen vaker (zullen) gebeuren. Ondertussen zie ik vriendinnen die zelf moeder worden. Mensen van wie hun kinderen later ook afscheid moeten nemen.