Mijn moeder was over uit Uruguay. Sinds ik voor voetbaltijdschrift Hard Gras essays over haar schreef en haar zo nu en dan opvoer in een column, zijn haar bezoeken aan Nederland niet compleet als daarover niet iets in print verschijnt. Daarom zal het hier vandaag, wat er ook in brand staat, droogvalt of vergiftigd raakt, over mijn moeder gaan.

De eerste week van haar verblijf huurden we een stacaravan op de camping bij mijn zus, voorbij Nijmegen. We keken WK-wedstrijden en haalden herinneringen op. Dat zijn bij ons steeds dezelfde. Ik vermoed dat families in de diaspora, die hooguit een paar weken per jaar samen zijn, minder herinneringen hebben dan families die bij elkaar leven. Het maken van blijvende herinneringen ging op de camping niet heel voortvarend, Argentinië-Egypte daargelaten.

Terug in Amsterdam klaagde mijn moeder over haar Nederlands, dat achteruitgaat. Toen ze hier woonde, sprak ze de taal met vrienden en collega’s. Die heeft ze nu niet meer en in familiekring spreken we Spaans. Ik stelde voor Hollandse uitdrukkingen te oefenen. Dat mijn moeder: „Mij maken ze de piez niet lauw”, zei bracht hilariteit, maar de potentie een blijvende herinnering te worden leek ver weg.

Een kleine twintig uur voor haar retourvlucht naar Uruguay zou vertrekken, kwam mamá bedremmeld de logeerkamer uit. Ze had haar paspoort verstopt, maar ze wist niet meer waar. Nu kon ze niet verder zoeken want ze moest naar Utrecht. Daar had ze met de kleinkinderen afgesproken. Ik bracht haar tot de pont achter het Centraal Station. Bij terugkomst zouden we haar paspoort wel vinden, zei ik. Zo groot was de logeerkamer niet. ”Er zit ook geld bij”, zei ze zachtjes.