Marja Pruis, schrijver, columnist, redacteur bij De Groene Amsterdammer schrijft in Zonnehuis (2026): „Mijn familie is van mij. Ik ken ze en ben aan ze gehecht. Ik wil ze niet uitleveren aan vreemde ogen.”

Marjoleine de Vos, dichter, columnist en oud-redacteur van NRC schrijft in Ik ben hier liever niet alleen (2026): „Om een of andere reden zijn broers en zussen niet vaak een onderwerp als je met vrienden praat, ze horen blijkbaar bij de intimiteit.”

Marja Pruis (66) is de derde in een gezin van vier kinderen. Het zusje onder haar, haar naam wordt niet in het boek genoemd en ook niet in dit gesprek, overleed drie jaar geleden, en sinds ze er niet meer is, schrijft Marja Pruis, spookt haar zus door haar hoofd. Tijdens een wandeling door Amsterdam-Noord probeert ze vat te krijgen op de geest van het verleden.

Het gezin van vroeger, schrijft ze, definieert nog altijd wie zij is, ook al is ze zó anders dan de rest. Zij met haar boekenkasten tot aan het plafond, haar broers en zus die nooit een boek lezen – ook niet als zij het schrijft. Zij de stille, haar zus een „feestnummer”. Zij intellectueel geworden, haar zus gewoon gebleven. In gedachten praat ze tegen haar, ‘weet je nog, die kerk, als we naar opa en oma gingen, kwamen we er altijd langs’. Ze weet wat haar zus daarop gezegd zou hebben: „Wat.” Zonder vraagteken.