‘Wanneer maak ik nou eens wat mee! Wanneer wordt het nou eens oorlog!’ De saaiheid van de Vinex-wijk waar ik in de jaren negentig opgroeide, had een raar kind van mij gemaakt. Verteerd door verveling – of zoals ik het zelf liever noemde: ennui – biechtte ik als negenjarige mijn oorlogswens op aan mijn nicht tijdens een wandeling op de Utrechtse Heuvelrug, waarlijk een van de sufste plekken op aarde. Waar was het avontuur? Waar was de heroïek?
De herinnering aan die wandeling kwam terug bij het kijken naar The Odyssey van Christopher Nolan. Dat soort epische verhalen vulden mijn kinderbrein met verlangen, en vervullen me nu met weemoed. Heldendom is niet meer wat het geweest is. Letterlijk; een held is nu iets anders dan vroeger. Een Homerische held was een mythische strijder met buitensporige krachten, op zoek naar glorie. Een moderne held verricht goede daden, en niet eens per se van het militaire soort. Een moderne held werkt in de ouderenzorg, of in de schuldhulpverlening, is de eenzame klokkenluider die met de nek aangekeken wordt. Juist in het gebrek aan glorie zit nu iets heldhaftigs.
Een goede daad doen is niet hetzelfde als iets avontuurlijks meemaken, of geroemd worden. Sterker nog, meestal gaan ze niet samen. Hoe erg iemand als Rutger Bregman ook de menselijke hang naar glorie probeert te kanaliseren naar een goed doel: de mensen die hij opleidt, worden lobbyisten. Dat is nobel, maar geen groots en meeslepend leven. Niet heroïsch op de klassieke manier.






