De dagen voor de vakantie spelen zich zoals gebruikelijk af in lichte wanhoop. Terwijl wij proberen de laatste deadlines te halen lijken de dochters (10, 9 en 5) totaal losgeslagen. Een niet te bestrijden verveling ligt als een deken over ons heen. De middelste dochter gaat soms naast me staan en somt dan op waar ze allemaal geen zin in heeft. We saboteren elkaar dusdanig dat het een wonder is als de aangekochte ontspanning daadwerkelijk gaat beginnen. Het wereldkampioenschap voetbal helpt ook niet mee, het opblijven voor de wedstrijd Mexico-Engeland heeft me totaal ontregeld.

We hebben een all-inclusive week in een deel van Turkije geboekt waar ze insecten hebben uitgeroeid, de rest van de weken verblijven we op een camping en bij bekenden in het binnenland.

De reisorganisatie heeft de vlucht verplaatst, we moeten nu op vrijdagnacht al richting Schiphol. We weten nog niet of het slim is om tevoren te slapen. „O”, zei een van de dochters opgewekt, „dan kunnen we daar lekker gaan winkelen.” De mededeling dat de winkels ook op Schiphol dan niet open zijn hakte erin.

We zullen hoe dan ook uitgeput aankomen. Ik verheug me op het totale niets, in de wetenschap dat dat me na een paar dagen genadeloos zal aanvliegen. Ik zit vol goede voornemens, maar weet van mezelf dat ik geen zwembadpapa ben. Mijn dochters eisen altijd dat ik als een soort monster door het chloor ploeg, maar als ik dat doe hebben anderen daar last van. De zon zal onbarmhartig schijnen, maar ik weet nu al dat ik toch bezwijk voor een activiteit. Ik laat me na drie dagen hangen met alle liefde een dagtrip naar ruïnes van een vergane stad waar ik nog nooit van gehoord heb aansmeren.