Het is zomer, alle slimme mensen zijn het land uit en nu heb ik de sleutel van de opiniekast. Verspreid over het schoolgebouw zit hier en daar nog wel een ander kind dat een taak af moet krijgen, maar verder is het stil. Ik wiebel een beetje op mijn stoel.
Enerzijds voel ik de verantwoordelijkheid zwaar op mijn schouders wegen om een volwassen visie te ontwikkelen op het wereldnieuws. Anderzijds zeg ik tegen mezelf, kom op, het is zomer, leef een beetje. Aan de ene kant zou ik willen schrijven over de toekomst van AI en ethische systemen. Aan de andere kant denk ik: wie leest dit nou?
Omdat ik niets beters te doen heb, volg ik wekenlang de berichtgeving over de Pride. „De Pride lijdt aan homonormativiteit!”, concludeer ik in mijn schriftje. Dat vind ik namelijk. En dat mag ik vinden. Sterker nog, het is ook zo. Die Pride draait om mensen die lhbtiq+ zijn, heet het. Maar als je T bent, word je wel geacht tegelijkertijd ook H te zijn, anders ben je een bron van algemene verwarring en ergernis.
In juli sprak de Volkskrant met zes bekende ‘lhbti’ers’. Onder andere over gebrek aan inclusie in de gemeenschap zelf. De oprichter van TransAmsterdam vertelde dat hij ooit een homoseksuele man trof met wie hij weleens iets had georganiseerd. „Ik was inmiddels een meneer, een die op vrouwen valt en dus trans en heteroseksueel. En hij zei, wat doe je nou nog in onze community? Toen had ik zoiets van: jij begrijpt er helemaal niets van.”






