De eerste schooldag is voor veel kinderen een feest. Nieuwe schriften, een frisse etui, verhalen over wat ze in de zomervakantie hebben meegemaakt. In de klas klinkt het als een wedstrijd in hoogtepunten: „Wij gingen naar Spanje.” „Wij naar Bali.” „Wij naar Center Parcs.”
En dan zijn er de kinderen die stil blijven. Die hun zomer doorbrachten in de speeltuin om de hoek, bij opa en oma, of thuis voor de tv omdat er simpelweg geen geld was voor uitstapjes. Zij hebben geen verbluffende verhalen, geen souvenirs om te laten zien, geen foto’s met palmbomen.
We hebben het vaak pas over kansenongelijkheid in het onderwijs als het gaat over de doorstroomtoets of de schoolkeuze in groep 8. Maar het begint hier. Op die eerste dag, bij dat kringgesprek waarin al duidelijk wordt wie er wel en wie er niet toegang heeft tot verre reizen, dure dagjes uit en zomerkampen.
Voor kinderen voelt dat verschil groot. Het is het moment waarop ze leren dat sommige verhalen status hebben en andere niet. Dat sommige zomers worden bewonderd en andere stilzwijgend worden overgeslagen.
Misschien moeten scholen dat eerste kringmoment anders vormgeven. Niet om kinderen te beschermen tegen de realiteit, maar om te voorkomen dat die realiteit zich al op dag één als een kloof in de klas nestelt. Laat de eerste week gaan over wat iedereen kan delen: een tekening van je lievelingsplek, een spel dat je hebt gespeeld, een geur of geluid dat je herinnert aan deze zomer.







