Ergens tussen Heemstede en Haarlem verloor ik kortstondig mijn liefde voor de mensheid. De trein reed heel langzaam, zo langzaam dat hij bijna stilstond, en voor in de coupé zat een vermoeide moeder met drie blonde kinderen die ik ervan verdacht namen als ‘Lente’ en ‘Mex’ te hebben. Tussen het ruziën door zaten ze allemaal luidruchtig aan waterijsjes te zuigen. Rood-gele Twisters. Eens in de zo veel tijd werd het klepje van de vuilnisbak zo hard mogelijk dichtgesmeten. „Au”, gilde de moeder na een nieuwe knal. „Mijn vinger zat ertussen.”

Aan het begin van de treinrit had ik mijn koptelefoon afgezet omdat de batterij van mijn telefoon bijna leeg was. Misschien, dacht ik optimistisch, is dit ook een mooi moment om wat meer in contact te komen met mijn omgeving – om me er wat meer verbónden mee te voelen.

Dat probeer ik vaker. Zo miste ik in tram 2 in Amsterdam onlangs met liefde mijn halte omdat een oude meneer met waterige ogen me de straathoeken bleef aanwijzen waar hij als tiener avonturen had beleefd. In een bus in Leiden ontmoette ik een heer die een dag eerder voor het eerst in zijn leven ravioli had gekookt. In taxi’s luister ik naar verhalen over de overburen van de chauffeur, op pontjes aai ik hondjes waarvan ik weet hoe ze heten – in heel veel voertuigen voel ik potentie voor een tijdelijke vriendschap. Maar nooit in de trein.