Je verhalenbundel Vergankelijkheid noemen, net als het essay Vergänglichkeit van Sigmund Freud. Je dat essay over rouw als verzet tegen verlies toeëigenen als voorwoord bij die bundel. En dan van start gaan met een autobiografisch verhaal over het sterfbed van je moeder en in een verhaal verderop ook je vader literair wegdragen. Met Freud als hulplijn. Hulplijnen zijn er om uit te vlakken, dat weet iedereen.

Wie durft dat, wie kan dat? Sandro Veronesi.

Met de lange adem van zijn prachtige zinnen werkt Veronesi toe naar de laatste adem van zijn ouders. Ik huil nooit als ik lees. Nu zit ik met natte ogen, geraakt door een schrijver die het definitieve afscheid van zijn ouders verwerkt. Gedachtenstromen vol observaties, verdriet en dilemma’s kleurt hij in met „de onhandige poging oprecht te zijn, terwijl je liegt”.

Want ja, wat moet je, als je op weg naar je stervende moeder beseft dat je alle zeilen moet bijzetten om niet gauw een momentje te nemen om een cappuccino te gaan drinken? Wat moet je, als je waakt bij je stervende vader die toch nog even niet sterft, maar opveert en zegt: „En wat nu?”. En jij ziet Oliver Hardy in hem, je kunt je niet bedwingen.

Het zijn superieure passages, die Freuds essay overvleugelen. Die schrijft: „Wij weten dat rouw, hoe pijnlijk ook, vanzelf overgaat”. Maar is dat waar? Niet als je het Veronesi vraagt. Die hecht aan rouw, hij voedt zich ermee. Zonder uit te glijden over excusabel maar overbodig sentiment. Zonder terug te schrikken voor de dood als sensationeel gebeuren. Gekmakend liefderijk.