Olga verlaat Erik. Erik draait door. Hij holt van het ene bed naar het andere, pakt wie hij pakken kan, maar is intussen geobsedeerd door Olga, die hij tijdens hun relatie helemaal niet zo goed behandelde. Hij zindert van jaloezie op haar nieuwe vriend en weigert haar los te laten. En o ja, Erik is een kunstenaar, een schrijver. Dat klinkt bekend. Wat zou Arthur Umbgrove (1964) in Terwijl jij dacht dat het liefde was, zijn zevende roman, willen met deze verwijzingen naar de verfilming van Jan Wolkers’ Turks fruit?

Erik is een engerd, zoveel is zeker. Dat springt bij Umbgrove extra in het oog doordat de verteller en Erik niet direct met elkaar samenvallen. Meteen op de eerste pagina staat: „Ik zie Erik zitten in een felverlichte treincoupé, op de weg terug van een dinertje waarvan de oppervlakkigheid onder invloed van de gestage inname van alcohol was overgegaan in een nietszeggende semidiepzinnigheid, waardoor hij zich nog eenzamer voelde dan in de dagen vlak na Olga’s vertrek.” Deze Erik, die zowel aan bindings- als aan verlatingsangst lijdt, wordt dus gadeslagen en gevolgd, maar door wie? Die vraag drijft de lezer van deze roman voort.

Vaak weet de ik-verteller heel precies wat Erik drijft en wat hij doet. Op andere momenten heet het dat hij het „allemaal een beetje in moet vullen”. Of hij ontwaart op afstand een patroon in Eriks gedrag, een precies patroon met een tijdsindeling voor aantrekken en afstoten (al kan dat, waarschuwt hij, „Mulischiaans gebazel” zijn). Als Erik „treurigstemmende kutliedjes” kent uit zijn jeugd, kent de ik-verteller die liedjes toevallig ook. Of er staat ineens: „Ik spreek voor Erik als ik zeg dat het geen onwil was, maar onmacht.” Irritant-vermakelijk is dat, want hallo, die ik-verteller spreekt het hele boek door voor Erik.