Een universum op pootjes: dat is de mens, elk mens, volgens de Amerikaanse bestsellerauteur Elizabeth Strout (1956). Wat weten we van onszelf, van elkaar, hoeveel tegenstrijdige gevoelens en gedachten woeden er in één ziel, in één borst: gewoontjes bestaat niet, net zo min als gemiddeld. In haar nieuwe roman Wat ongezegd blijft toont Strout dat opnieuw op superieur soepele wijze, net als in haar eerdere titels Olive Kitteridge (2008, bekroond met de Pulitzer Prize) en Ik heet Lucy Barton (2016) en in haar overige, daarmee verweven romans. Als iemand veelzijdige personages kan scheppen, is zij het wel. De ‘cast’ aan personages is ditmaal helemaal nieuw. Het verhaal speelt zich ook niet af in Maine, maar in Massachusetts, aan zee. Maar de toon en de inzet zijn weer typisch Strout.
Als je zoekt naar een woord om Strouts stijl te karakteriseren, kom je al snel uit op iets als ‘laconiek’ of ‘terloops’. Juist dat, die onnadrukkelijkheid, die (vermeende) luchtigheid, maakt haar proza zo indrukwekkend, het lijkt te kabbelen, maar het sluit je in. Het gaat juist over heel veel. Voor Wat ongezegd blijft geldt dat bijna nog meer dan voor haar eerdere werk, omdat er, nu ja, veel ongezegd blijft. Niet alleen in de individuele levens waar het ditmaal om draait, maar zeker ook over de achtergrond daarvan.






