Britney Spears is geen mens meer. Ze is een verhaal geworden, een symbool, een betekenis, een tijdsbeeld, een variatie op een bekend thema. Ze was al een fenomeen vanaf het moment dat ze, als 17-jarige kindster, haar allereerste muziek uitbracht, binnen een mum van tijd de Amerikaanse hitlijsten domineerde en al even snel met orkaankracht de wereld veroverde. Daaraan gaf ze zich over „zonder iets voor zichzelf te houden, zonder de massa’s iets van zichzelf te ontzeggen”, zoals Dominique De Groen schrijft in de roman Corpus Britney, Britney Spears wérd geleefd. Door producers, contracten, managers, algauw waren er miljoenen met haar gemoeid. En door het publiek en de entertainmentpers, de ogen van de wereld, waaraan ze zich argeloos uitgeleverd had: ze verkocht niet alleen haar muziek, maar ook haar lijf, haar imago, haar gedrag, haar ziel.
De rest is een tragische geschiedenis. Britney Spears verzette zich tegen dat korset van verplichtingen en verwachtingen, ging rebelleren, schoor haar hoofd kaal, probeerde op eigen houtje muziek uit te brengen, zoals de single ‘Mona Lisa’, over het beroemde portret en „how she suddenly fell”: „Now, see, everyone knew her, they knew her, oh, so well. Now I’m taking over to release her from her spell”. Veelzeggend vergeefs. De greep op Britney verstevigde alleen maar. Het systeem werkte niet in haar voordeel: haar losgeslagenheid leidde tot een ondercuratelestelling (door haar vader) die ruim een decennium duurde en haar gevangen hield in de druk om te voldoen aan wat de wereld (of: de boven haar gestelde mannen met geld) van haar wilde. Ondanks grootscheepse, maar onmachtige steun van fans (#FreeBritney).







