Twaalf jaar geleden vroeg de invloedrijke Britse cultuurcriticus en blogger Mark Fisher zich af waarom de cultuur tot stilstand leek te zijn gekomen. In Ghosts of My Life, een essaybundel over popmuziek en film die cultstatus verwierf, beschrijft hij dat hij tot aan de jaren negentig voortdurend de schok van de toekomst voelde: wéér een nieuw genre elektronische muziek, wéér een onthutsend vernieuwende film. Maar inmiddels bleven cultuuruitingen steken in nostalgische citaten van het verleden, constateerde hij, alles was pastiche en herhaling. Dat was een probleem, omdat cultuur daardoor geen grip meer had op hoe het voelde om in het hier en nu te leven. In de twintigste eeuw leek het alsof nieuwheid eindeloos beschikbaar was, maar de eenentwintigste eeuw ‘voelt niet als de toekomst’, concludeerde hij teleurgesteld.

Waar was die geest en energie van vernieuwing gebleven? Een van de verklaringen die hij opperde was simpel. Het naoorlogse Europa stond in het teken van de verzorgingsstaat. Londen was een stad waar je zonder veel geld toch best aardig kon leven. Punkers vonden in de stad overal gaatjes en hoekjes om te kraken, een biertje in de pub was betaalbaar. Kunstenaars hielden genoeg tijd over om te experimenteren met een drumcomputer, te pielen in het atelier, of in de kroeg op bierviltjes een geniaal concept uit te tekenen. Tegenwoordig moet iedereen veel harder werken om de huur of de hypotheek te kunnen betalen. Hoe is culturele vernieuwing nog mogelijk als iedereen voortdurend gestresst en uitgeput is?