,,Zeur niet”, schreef Annie M.G. Schmidt in 1965. Maar wat moet je dan, wanneer de zorgen je overspoelen? Nou, huilen, schreeuwen, smijten, schelden, bijten en vloeken, wat Schmidt betreft in het beroemde lied uit haar musical Heerlijk duurt het langst: stampij maken! Maar Vera, de hoofdpersoon uit Waar wil je liggen?, de nieuwe roman van Vonne van der Meer (1952), doet niets van dit al. Zij houdt het op iets anders: „Lankmoedigheid was de beste houding.”
Verdragen dus, berusten, geduld betonen, begripvol blijven en gestaag voortgaan, de ene voet voor de andere zetten. Vera, rectrix van een gymnasium, is al met pensioen en haar kinderen zijn uitgevlogen, maar het leven scheept haar alsnog, of weer, op met allerhande plichten. Ze zorgt beurtelings voor haar labiele volwassen zoon en haar vervuilende schoonmoeder, daags nadat haar zus Brigitte plotsklaps is overleden. Aan haar verdriet daarover komt ze nauwelijks toe. Ze is „al het gemantel” af en toe spuugzat, maar probeert te aanvaarden dat ze op z’n best leeft „in de middentonen” tussen rouw en lichtheid in. Net als het met zoon en schoonmoeder wat beter gaat, blijkt haar man aan een ernstige hartziekte te lijden.
Waar wil je liggen? is een vol boek waarin paradoxaal genoeg toch weinig gebeurt. Het leest vooral als een portret van de hoofdpersoon en haar gedachten. Vera blikt terug en, voor zover mogelijk, vooruit, ze bespiegelt, stelt bij. Bijvoorbeeld het beeld van zichzelf. Ze dacht wars te zijn van modieus taalgebruik, maar hoort zichzelf ineens van alles „super” vinden waar niets super aan is (jammer genoeg lees je er in de dialoog niets van terug). Ze komt er ook achter dat ze niet zo geëmancipeerd is als gedacht en merkt dat „kruimelleed” – haar man die paniekerig doet over zijn telefoon die kwijt is – vaak lastiger is om je toe te verhouden dan grootse ellende. En ze ontdekt dat zorg bieden, hoe vermoeiend ook, liefde oproept, zelfs als je tevoren niet om het object van die zorg gaf.






