Waarom schreef Frida Vogels? De maandagavond op 96-jarige leeftijd overleden schrijfster had daar geen hoogdravend doel mee. Niet om iets aan te kaarten, iets te bevechten, niet omwille van een groter idee buiten haarzelf. „In mijn boek heb ik geprobeerd mijzelf onder woorden te brengen. Waarom? Om mijzelf”, schreef ze eens in een brief, gericht tot voormalig politica Ayaan Hirsi Ali. Haar zag Vogels als een vrijheidsstrijder, en daarmee een tegenpool van zichzelf. Het enige wat zij deed is altijd „blijven proberen me op eigen kracht met de wereld te meten. […] Alleen maar in naam van mijzelf”, schreef ze, in een brief die gepubliceerd werd in de kroniek In den vreemde (2024).
Vogels sprak weliswaar van ‘mijn boek’, maar dat enkelvoud is verraderlijk. Haar grote werk De harde kern bestond uit vier delen, in drie boeken – maar het is ook als één boek te zien. Daarna volgden bovendien kloeke dagboeken, die de jaren 1954 tot 1978 omspannen. Het duurde overigens tot 1992 voor ze debuteerde met het eerste deel van De harde kern, waar de toen 62-jarige schrijfster decennia aan had gewerkt.
Literaire sensatie
Het werd een literaire sensatie. Weliswaar was het „het meest onmodieuze boek in de moderne Nederlandse literatuur”, zoals publicist Rudy Kousbroek het in NRC Handelsblad karakteriseerde, want het was volstrekt naar binnen gekeerd, herinnerings- en overwegingsproza. Maar wat Kousbroek betreft was het ook „iets werkelijk oorspronkelijks” vanwege de „zuiverheid” die Vogels betrachtte in haar diep borende, harde en uitputtende zelfonderzoek en „de strengheid die het impliceert”.








