Op zijn vierde besloot Richard Flanagan „absurd en zinloos genoeg” dat hij schrijver wilde worden, schrijft hij in zijn nieuwe roman Vraag 7. Zijn eerste pogingen waren brieven aan zijn grote zus die naar een andere stad vertrok. Omdat hij nog niet kon schrijven, bestonden die brieven uit „afbeeldingen van zinnen en alinea’s”. Op de achterkant van de brieven schreef zijn moeder zijn verhaal, „mijn eerste vertalingen, denk ik”. Toen ontdekte hij dat het verhaal zelf niet het punt was. „De woorden van een boek zijn het boek niet, het gaat om de ziel ervan.” In dit geval was die ziel het gemis van zijn zus.
Het is duidelijk dat deze vroege ontdekking leidend is geweest voor het schrijven van Vraag 7, waarmee de Australiër Flanagan in 2024 de Baillie Gifford Prize voor non-fictie won. In eerste instantie vertelt hij een verhaal, of beter gezegd meerdere verhalen, over hoe de eerste atoombom tot stand kwam en hoe die op 6 augustus 1945 neerdaalde op Hiroshima, waar die „ontelbare menselijke wezens […] als pure energie en verdampte flarden hemelwaarts” stuurde. Ook vertelt hij het verhaal van zijn vader wiens leven paradoxaal genoeg juist gered werd door de bom, omdat daarmee een einde kwam aan zijn tijd in een Japans werkkamp. En dan is er zijn eigen verhaal, want hij zou niet hebben bestaan als de bom niet zoveel levens had verwoest.






