In de romans van de Amerikaanse schrijver en dichter Ben Lerner begint de kunst vaak met een leugen. In Lerners debuutroman Vertrek van station Atocha (2011) krijgt een jonge dichter een prestigieuze beurs om een paar maanden onderzoek te doen in Madrid. In plaats van serieus aan het werk te gaan, vult hij zijn dagen landerig met slapen, blowen en museumbezoek. Wat op papier klinkt als puberaal uitstelgedrag, leverde een van de interessantste en duizelingwekkendste romans op in de Amerikaanse literatuur van de jaren tien – intellectueel, geëngageerd én eerlijk. Datzelfde geldt voor al zijn romans sindsdien, voor 22:04 (2014), Leerjaren in Topeka (2019), en ook voor zijn nieuwste werk.
Lerners vierde roman Transcriptie begint ook met een leugentje. Een naamloze verteller reist tijdens de covid-pandemie af naar Providence, zijn voormalige studentenstad, om daar zijn intellectuele mentor Thomas te interviewen voor een literair tijdschrift. De negentigjarige Thomas is een kleurrijke man, een techniekfilosoof en kunstenaar opgegroeid in Duitsland, en extreem belezen – Lerner voert hem op als een van de laatste klassieke intellectuelen, overblijfsel van een vorige eeuw waarin de menselijke geest nog niet door infantiliserende beeldschermen was gekoloniseerd. (Diverse recensenten hebben opgemerkt dat Thomas overeenkomsten vertoont met de onlangs overleden filmmaker en filosoof Alexander Kluge, al doceerde die nooit aan Brown University. Anderen wezen op Lerners tweede mentor, de al even eminente John Berger, al was die een Brit.)







