Zelden is er zoveel verwantschap geweest tussen twee schrijvers als tussen J.J. (Han) Voskuil en Frida Vogels. Ze bezochten en schreven elkaar, ze voerden elkaar als personage op in hun boeken en ze zaten bij dezelfde uitgever, Van Oorschot. Ook waren ze ongeveer gelijktijdig populair bij een groot en deels hetzelfde lezerspubliek.
Beiden laten een imposant groot oeuvre na. Ik heb niet alles, maar wel veel van hen gelezen. Mijn voorkeur gaat, met een gering verschil, naar Voskuil uit. Vergelijk je zijn levenswerk, de cyclus Het Bureau, met dat van Vogels, De harde kern, dan valt vooral op dat Voskuil laconieker en humoristischer is, overigens zonder de lolbroek uit te hangen. Bij Voskuil schiet je geregeld in de lach, bij Vogel domineert de loden ernst.
Zo begint Voskuil zijn eerste van de zeven delen van Het Bureau: ‘Dag meneer Beerta’, zei hij. Meneer Beerta was in de halfgeopende deur blijven staan en keek hem strak aan, alsof ze ongelegen kwamen. Toen spitste hij zijn lippen en knikte kort. ‘Dag Maarten.’ Hij knipoogde, een zenuwtrek.’
En zo opent Vogels De harde kern: ‘Het was zondagmorgen. Berta was juist opgestaan toen er gebeld werd. Het was de post met een expresbrief uit Castellina voor Stefano. Tegen haar gewoonte trok ze die open terwijl ze terugliep naar de slaapkamer. Ze gaf de brief aan Stefano. ‘Slecht nieuws. Over oom Mario. Lees zelf maar’, zei ze. Ze stapte weer in bed.’






