Verreweg de spannendste mededeling in Het zwijgen, het zevende en laatste deel van J.J. Voskuils dagboeken, is zo goed als achterin het boek te vinden.
Op 1 februari 1989, hij is dan een kleine twee jaar met de VUT, brengt Voskuil een bezoekje aan het Meertens Instituut, het onderzoeksinstituut waar hij dertig jaar lang aan verbonden was. Hij noemt het Meertens Instituut dan al wel ‘het Bureau’, maar geeft verder nog niet veel aanwijzingen dat hij voornemens is om zijn werkgever en het werk dat hij er verrichtte literair te gaan vereeuwigen in een kolossale romancyclus. Maar op die winterse woensdag noteert hij: „Ik ga het Bureau binnen om uit de kluis een dagboekschrift te halen.” Liefhebbers van Het Bureau weten dan: die voert iets in zijn schild, want het waren immers (onder andere) die dagboekschriften die aan de basis stonden van Het Bureau. Als Voskuil daarna dan ook nog geagiteerd melding maakt van allerlei veranderingen op het instituut weet je dat hij – inwendig weliswaar – de messen slijpt.
De schellen zijn hem definitief van de ogen gevallen: ze koesteren daar helemaal geen warme herinneringen aan hem, ze zijn blij dat hij is opgekrast. „Als ik ooit gedacht heb dat ik aan het hoofd stond van een kleine gideonsbende, dan ben ik er door de ongeïnteresseerde, onverschillige houding van [voormalige collega’s, red.] Koos en Marianne vandaag weer hardhandig aan herinnerd dat dat een fictie was. Ik word niet alleen niet gemist, mijn bezoeken en de herinnering aan vroeger irriteren hen.”






