Met nog maar één deel voor de boeg is de voorzichtige conclusie gerechtvaardigd dat de dagboeken van J.J. Voskuil niet tot de hoogtepunten van zijn oeuvre gerekend kunnen worden. Dat lag misschien al een beetje in de lijn der verwachtingen (van welke schrijver zijn nu net de dagboeken het best?), maar in Voskuils geval valt de oogst dus ook tegen. Waar de behandeling van het monotone leven nou net de kracht was in Voskuils Het Bureau, daar begint de alledaagsheid van Voskuils dagboek je al snel te vervelen. Weer een wandeling, weer een bezoekje, weer een werkdag.
Optimistisch gesteld ben je geneigd te zeggen dat Voskuil al schrijvend toch (nog) iets heel bijzonders aan Het Bureau heeft weten toe te voegen. Het Bureau oogde misschien als een heel ‘realistische’, documentaire vorm van schrijven, wie dat naast dit dagboek legt heeft toch twee heel verschillende werken in handen. Je leest weliswaar vaak over dezelfde voorvallen, maar ánders – en niet alleen omdat het één in de ik-vorm en het andere in de derde persoon is geschreven. In wezen is dat hele romanschrijven van Voskuil, hoe droog en ogenschijnlijk on-pretentieus het allemaal ook moge ogen, één groot toonbeeld van stilering. Van uitmuntend gecamoufleerde stilering, welteverstaan.






