Het is zo verleidelijk: zoveel mogelijk te weten komen van de schrijvers van wie je houdt. In hoeverre is hun werk autobiografisch, hadden ze geheime liefdes, verborgen ze politieke misstappen, dwarsboomden ze stiekem hun collega’s?
Kortom, kom maar op met die biografie.
Ja, het kan een boeiende leeservaring worden, maar ook een ontluisterende. Daar zit je dan na lezing van zo’n pil, meestal zijn het pillen. De biograaf wil zijn ijver tonen, maar ook zijn moed om te ontmaskeren. Dachten wij misschien dat de bewonderde schrijver een integer mens was geweest? Helaas, dan moest hij deze illusie verstoren.
De lezer zoekt het verder maar uit, hij blijft achter met een belast geweten, voor zover hij dat nog niet had. Mag hij de boeken van de ontmaskerde goed blijven vinden, komt hij misschien zelfs tot de conclusie dat het de schrijver alleen maar interessanter maakt? Of is het bijna onmogelijk om de kwade geur van moreel bederf die opstijgt uit het beschreven leven kwijt te raken?
Dat kunnen de momenten zijn waarop je bijna betreurt dat je ‘het’ nu allemaal weet. Nooit meer zul je het werk kunnen herlezen met de onbevangenheid van vroeger.







