Het is een speculatie, maar toch: stel dat schrijver en dichter Cees Nooteboom (1933-2026) zijn dagboeken bij leven had gepubliceerd, bijvoorbeeld aan het begin van deze eeuw, had hij dan wél de hoogste literaire bekroning ontvangen, de Nobelprijs voor Literatuur?

De Zweedse Academie kon dan kennisnemen van een auteur voor wie internationale politieke gebeurtenissen, bijvoorbeeld ‘9/11’ en de war on terror, van even grote betekenis zijn als een discussie over Heidegger met de Duitse filosoof Rüdiger Safranski, uitweidingen over Marcel Proust, gedachtewisseling over de toekomst van Amerika met schrijfster Mary McCarthy of een pelgrimage naar de heilige Japanse tempels. In het tweede, omvangrijke deel van zijn dagboeken dat het decennium 1996 tot 2006 bestrijkt, presenteert hij zich als een schrijver die op on-Nederlandse wijze de ramen naar de wijde wereld openzet tot ver buiten Europa, naar Japan, Amerika en Australië. Het heet, naar een citaat van filosoof Peter Sloterdijk, Naar de wereld, in de wereld, uit de wereld met als ondertitel Dagboeken 1996-2006.

Meer dan in deel een, De danser en de monnik. Dagboeken 1970-1995 (2023), zien we Nooteboom worstelen met het schrijverschap. De lezer is getuige van de moeizame ontstaansgeschiedenis van de roman Allerzielen, die in 1998 zou verschijnen. Nooteboom herinnert zich dat dichter Ed. Hoornik (1910-1970), die in Amsterdam een literaire salon hield, eens tegen hem zei geen gevoel voor ‘structuur’ te bezitten. Hij geeft toe dat zijn werkwijze „tastend” is, „pointillistisch”. Dat tastende schrijven heeft alles te maken met Nootebooms onrust, zowel in fysiek als creatief opzicht. Zo noteert hij op 27 november 1996: „Parijs. Trachten terug te denken: Roermond, Hasselt, Luik, Düsseldorf, Amsterdam, Innsbrück, München, Boedapest, Amsterdam, München, Berlijn, Bad Segeberg, Amsterdam, Parijs. En daar tussenin Kyoto, Tokio – alles in vijf weken.”