Een verlaten tankstation, gebarsten asfalt en dichtgetimmerde huizen. „Wat rest zijn bomen die zichzelf te pletter mogen groeien.” Echo, de verteller in Twee mensen worden van schrijver en dichter Lies Gallez (in 2021 verscheen haar verhalenbundel Het water vangen), keert na twintig jaar terug naar het verlaten Vlaamse dorp van haar jeugd. Na het dorp moet ook het nabijgelegen bos ruimte maken voor een nieuw industrieterrein. Om de kap tegen te houden, neemt Echo haar intrek in een boomhut.
De roman is opgebouwd in korte hoofdstukken waarin Echo terugreist in de tijd en terugblikt op haar jeugd en dan weer vanuit het heden vertelt. Echo’s jeugd was genadeloos hard: ze groeit op bij een alcoholverslaafde moeder, die als sekswerker het gezin probeert te onderhouden en soms dagenlang verdwijnt. Echo wordt verwaarloosd en mishandeld: haar moeder heeft een akelig systeem opgezet waarin gedwongen automutilatie een levensles is onder het mom van ‘oefenen voor later’. Terwijl gezinnen wegtrekken uit het dorp en winkels sluiten, weigert de moeder om hun huis op te geven: de afwezige vader moet hen bij thuiskomst kunnen terugvinden.
Waarom zou Echo, in haar boomhut, de vernietiging van de setting van zo’n ongelukkige jeugd tegen willen houden? Omwille van de bomen, ja – als de bioloog die ze werd, is Echo begaan met het bos, het bestaan van de zogenaamde moederboom en hoe in de natuur alles met elkaar samenhangt. Maar ze houdt zich er ook op om een oude pijn te verwerken. Ze komt het verwaarloosde kind dat hier ooit woonde tegemoet door het in zekere zin opnieuw op te zoeken, gezelschap te houden.






