Het is in de dagen dat je moeder weg is dat het vallen begint. Ze is een paar dagen naar haar machinefabriek en jullie blijven thuis. Jij, je vader en twee jongere broertjes. De eerste dag dat ze weg is gaat je vader naar de Mediamarkt. Jullie mogen mee. Je vergaapt je aan de gangpaden, gevuld met trage beelden van het zeeleven, met een onderling haast niet waarneembare vertraging, of versnelling. Je vader had er van tevoren een uitgezocht, een grote. Thuis tillen jullie samen de televisie op zijn plek. Op de antieke kast, onder de schilderijen van Maria en Jozef.

Voor de machinefabriek had je moeder een religieuze kunstwinkel in de hoofdstad. De overgebleven kunstvoorwerpen staan bij jullie thuis. Waar nu de televisie staat stonden eerst een tulpenvaas, een schaal met struisvogeleieren, een porseleinen schemerlamp en een verzameling tinnen gebruiksvoorwerpen. Dat alles staat nu in de schuur. Jullie huis staat vol. Er staan twee Biedermeier stoelen in bad die al jaren wachten om opnieuw gestoffeerd te worden. De dagkoersen van het Financieele Dagblad stapelen zich op de verwarming op. Alles heeft een plek.

Vorige week, toen je moeder er nog was, was je wakker geworden en stond ze gebogen over je prullenbakje. Ze had er een en ander uitgevist dat bij het plastic of papier hoort, en vond twee MAOAM-snoeppapiertjes waarvan je je niet herinnerde ze te hebben gegeten. Je vermoedde dat één van je broertjes hun afval weer bij jou had weggegooid. Uit schaamte durfde je tot ze wegging niets meer tegen haar te zeggen.