In de intrigerende debuutbundel Tekstielen van Sarah de Koning (1992) – die wordt bekroond met de Johan Polak Poëzieprijs, de grootste poëzieonderscheiding (50.000 euro) die het Nederlands taalgebied kent – wordt afgetast hoe het ik zich tot de ander verhoudt en voortdurend mee verandert. Verschillende verhoudingen vormen het strijdtoneel van het ik, dat door middel van taal een vastere omlijning zoekt. Liefde en verlangen vuren de gedichten aan.

De gedichten zien eruit als korte prozafragmenten, wat een losse, nonchalante indruk wekt. Maar de inhoud van deze poëzie is dat allerminst. Een klankrijke beeldtaal, met archaïsche en beeldschone frasen, geeft een intense, stormachtige binnenwereld weer.

Nu til ik een onschuldige steen op en zie ik: mijn ziel een geest die mijn lijf nog wist, als het woelige nikkel van de visvijver waar je een keil in pleurt, die geschubde golfslag die het graf uit kruipt, dagdag aan de stilstand!

De woest talige binnenwereld wordt verstoord door de ruwe handeling van iets zwaars dat erin wordt „gepleurd” – een effectieve lompe verwoording. Deze woordkeuze voorkomt dat de wereld die De Koning schetst ouderwets of al te barok overkomt. Het is eerder de wereld van iemand die veel gelezen heeft, en kennis van klassieke poëzie geconfronteerd ziet met het concreet alledaagse.