Daar ligt de man. Bewegingloos. Is hij gewond, is hij dood en wiens schuld is het? In ‘De slaapwandelaar,’ een van de verhalen uit het debuut Yenta van Isa Davids (1994), velt Philip zijn vriend Aaron met een vuistslag na een licht provocerende opmerking over zijn vrouw. Hij is ontdaan. Nooit eerder sloeg hij iemand: „Nee, hij had zijn instinctieve driften altijd weten te beheersen. Er school geen pugilist in hem. […] Hysterisch greep hij naar zijn gezicht. IJselijke kreten doemden op in de verte, landden tussen de hersenmist in zijn hoofd. Dit kon iedereen overkomen. De bakker, de kinderjuf, de meneer die bij het tolpoortje zijn dagen zat te slijten, maar hem niet. Waarom Philip, God! Waarom hij?”
Ook Alex van Warmerdam (1952) beschrijft een dergelijke situatie in zijn eerste verhalenbundel, getiteld Geen zorgen, ik hou van je. Aan een slome (schijn)student is door een minnares onverwacht een baby toevertrouwd. Of hij het kind alsjeblieft niet aan iemand mee wil geven, luidt het verzoek. Bij nacht staat er ineens een „kleine man in een motorjack” in de kamer die hem aankijkt „alsof hij een ei kwam lenen”. De student aarzelt niet. Hij steekt de man neer, die tegen een kast valt en jawel, met een „droge tik” zijn nek breekt. Onthutst kijkt de student toe. Eventjes. „Godverdomme. Ik, die nota bene een wesp nog red uit een glas Fanta, zat opgescheept met een lijk”, heet het dan.







