Ik maak een treinreis van Eindhoven naar Den Helder, terwijl ik afdaal in de ringen van de hel onder Nederland zoals beschreven door Lieke Marsman in De dichter en de duivel. Ik wil iedereen vertellen dat ze deze urgente en overrompelende bundel moeten lezen. Maar wie zou me horen? Zelfs in de stiltecoupé zondert men zich af, gewapend met scherm en oortjes, in de eigen bubbel.
Lieke Marsman (1990-2026), dichter en filosoof, doet er in De dichter en de duivel alles aan om door te dringen tot van elkaar gescheiden bubbels of werelden die vaak een eigen taal kennen. In tegenstelling tot een „ongeneeslijk zieke” wereld die ze beschrijft, zijn de gedichten springlevend. Raak, bijtend grappig, geestrijk en fijnzinnig.
De gedichten waar ik me in afzonder, bieden een achtergrond bij het landschap waar ik doorheen dender. Doodse industrieterreinen met showrooms rijgen zich aan elkaar, af en toe onderbroken door een weiland met advertenties op elektronische billboards. Zelfs het plakkerige tafeltje waar ik de bundel op leg, past bij het van kapitalisme vermoeide Nederland dat Marsman in haar bundel schetst: iedereen weet dat treinen niet meer worden schoongemaakt sinds er op elk kaartje winst moet worden gemaakt.






