Zo eenvoudig kan het toch niet zijn? Je denkt even van wel, als er in een flashbackhoofdstuk aan het begin van De visser een lijk aan komt dobberen in de haven van een Duits Waddeneiland. Zonder tanden en kiezen, waarschijnlijk een kunstgebitdrager, maar „te ver heen” om nog geïdentificeerd te worden. Het is april 1984 en een paar weken eerder is de vader van Liewe Cupido, de latere rechercheur van de zeepolitie en de hoofdrolspeler van de Waddenthrillers, vermist geraakt, op zee overboord geslagen van een visserskotter. Verdronken, denken ze, maar hij is nooit boven water gekomen. Is dit onherleidbare lijk dan de verklaring voor alles?

Dat zou te simpel zijn geweest voor Mathijs Deen (1962), te doorzichtig. Die maakt het bij aanvang van De visser juist extra ingewikkeld, met nóg een voorgaande generatie Cupido’s, een kunstgebit dat je op een dwaalspoor zet, een insluiper in een Texels huis, en een stel echte criminelen.

Dat laatste is nog de verrassendste nieuwigheid in dit vijfde en laatste deel van zijn serie: de georganiseerde misdaad ging tot nog toe voorbij aan de Wadden, waar ze nog gemoedelijk hun achterdeuren van het slot lieten. Nu begint het met subtiel-onheilspellend stil spel: er wordt een pakje bezorgd, de ontvanger haalt een zakmes tevoorschijn „met zijn blik op de postbode” en snijdt het open met een „vlugge haal door het karton”. Minder subtiel gaat het als dit ongure type verderop in het boek op Texel arriveert en meteen gewelddadig wordt.