De overheid kan je vastzetten, maar ik kan je ledematen inkorten. Dat stelt Zev den Heijer, een van de hoofdpersonen uit Gala en Zev, de nieuwe, imponerende roman van Jannah Loontjens (1974). Zev, een drugshandelaar, kan die dingen niet alleen, hij doet ze ook, zonder scrupules: „als je opgroeit met geweld wordt het eenvoudig, dan hoort het bij je leven zoals wel meer dingen erbij horen: een jas aantrekken als je naar buiten gaat, sokken als je opstaat. je weet niet beter. geweld is voor mij een manier om me te uiten, een middel om toe te passen als ik iets voor elkaar wil krijgen.”

In Gala en Zev uit Zev zich uitsluitend in onderkast. Aanvankelijk irriteert dat, maar het is verklaarbaar. In Zevs leven komt van het een het ander en van het ander het een. Hij is niet gewend, en in beginsel ook niet genegen, zichzelf onder de loep te nemen. Tegelijkertijd is dat precies wat Loontjens hem overtuigend toch laat doen, als hij aan het begin van de roman gearresteerd wordt en in de gevangenis belandt. Zonder de stress van zijn bekende bestaan krijgt hij het letterlijk en figuurlijk benauwd. Tegen wil en dank geeft hij zichzelf rekenschap van hoe dat komt; gaande het verhaal komt een glimpje geweten tot ontwikkeling.